JubJam100
| leren zeilen met een lelievlet | | Afdrukken | |
| Geschreven door Kees |
| dinsdag 25 augustus 2009 10:22 |
Zeilen leren met een lelievlet
Hoofdstuk 1. onderdelen schip Een zeilschip heeft veel onderdelen,deze hebben allemaal hun functie en nut. Hieronder staan er een aantal om u op weg te helpen: Rondhouten: Giek- onderdeel van het grootzeil, zit aan het zeil vast gemarld (middels een marllijn) ,zit aan de onderkant van het grootzeil;Aan de achterkant (dus bij het roer) zit de wervel. Hier zit weer het pettenlijntje aan dat zorgt dat de grootschoot niet naar voren kan schieten. Ook zit hier de kraanlijn aan vast. Gaffel -onderdeel van het gaffelgetuigd grootzeil(dus van een vlet), zit aan het zeil vast gemarld (middels een marllijn), zit aan de bovenkant van het grootzeil. Op de gaffel zit de gaffeldraad. Aan deze gaffeldraad zit de hanepootloper( hieraan wordt de piekval vastgemaakt). Om te voorkomen dat deze op een gegeven moment naar beneden schiet (en er een gevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan) zit hieraan als borging het dodemanslijntje, deze zit ook bovenin vast aan de giek (aan het blokje waar de gaffeldraad mee aan de gaffel zit). Mast- staat in het midden van de boot, ophangpunt voor de giek aan de mast is het lummelbeslag. De gaffel wordt door middel van een klauw om de mast heen gezet. Hij word gehesen aan het blok dat aan de mast is bevestigd door middel van een mastring. De val waar je hem mee hijst heet de….klauwval. Wanten: Staand want Bestaging Voorstag – deze dient als stabilisatie van de mast, tevens wordt hier de fok aan bevestigd middels leuvers. Zijstagen: Bakboordstag - deze dient als stabilisatie voor de mast. Als de boot over stuurboord hangt hoort hij strak te staan Stuurboordstag – deze dient ook als stabilisatie voor de mast. Als de boot over bakboord hangt hoort deze strak te staan. Deze stagen zijn bevestigd aan de boot middels spanners of wantkettingen. Deze zitten vast aan de boot door een “stagplaatje”(eigen benaming). Lopend want - alles wat bedoeld is om het zeil mee te bedienen, dus ook bijvoorbeeld de blokken. Vallen: Klauwval – deze dient om de klauw van de gaffel aan vast te maken, het blok waaromheen deze val draait zit vast aan de mastring. Je maakt deze vast (je belegt hem dus) aan de onderste kikker aan stuurboord van de mast. Dit is een afspraak die ik maak met mijn cursisten, zodat zij weten als bijvoorbeeld de piek gehesen moet worden, welke val zij los moeten maken en aan moeten trekken Piekeval – deze moet vastgemaakt worden aan de gaffeldraad middels de hanepootloper, het blok waarom deze val draait bevindt zich boven in de mast. Deze val beleg je om de bovenste kikker aan de mast. Dit omdat de piekeval nog wel eens extra gehesen dient te worden. Fokkeval – deze dient vastgemaakt te worden aan het driehoekige zeil, dat zich voor de mast bevindt,uiteraard bevindt het hijspunt zich aan de bovenkamt van de mast. Deze wordt belegd om de onderste kikker aan stuurboord. Dan hebben we nog 1 kikker over aan de mast. Deze is bedoeld voor de kraanlijn. De kraanlijn wordt achter aan de giek aan de wervel vastgemaakt. Deze dient om het achterdek te beschermen bij het hijsen van het zeil tegen de giek. Bij het hijsen dient het zeil uit de mik ( een ijzeren of houten geval waarin de giek en de gaffel van het opgedoekte zeil liggen) gehaald te worden. De kraanlijn neemt dan de taak van de mik over. Schoten Grootschoot – deze dient om het grootzeil bij een bepaalde wind goed te zetten, zodat de boot de hoogst mogelijke snelheid behaalt. Hij dient vastgemaakt te worden voordat het zeil gehesen wordt. Je kunt dan de grootschoot dusdanig aantrekken dat hij in combinatie met de kraanlijn de mik vervangt. De giek hoort horizontaal te hangen als de kraanlijn is aangetrokken (voor het zeil gehesen is). Dit doe je door de grootschoot aan te trekken en vast te zetten met een slipsteek. Fokkeschoot – de fok is eigenlijk het stuurzeil van de boot. Door middel van de fokkeschoot kan deze meer of minder aangetrokken worden om zodanig de loef- of leigierigheid van de boot te bedwingen. Tevens werkt deze mee de voorwaartse snelheid te verhogen. Stuurmiddelen Natuurlijk hebben we het roer. Als je deze plat gooit, haaks op de zeilrichting dan remt deze enorm. Bij een normale koersverandering is het juist de bedoeling dat de boot zijn snelheid behoudt. Dus bij manoeuvres zoals man overboord nooit het roerblad meer dan 45 graden op de oorpronkelijke richting van de boot óf je moet willen remmen om het slachtoffer (de drenkeling) uit het water te halen. Andere zaken waarmee je kunt sturen zijn de zeilen. Door een fok extreem aan te trekken krijg je een kracht op de punt en zal de boot afvallen. Door je grootzeil extreem aan te trekken , krijg je een kracht op de achterkant van de boot en zal de boot oploeven. Voor meer onderdelen zie paragraaf 2.1 van het CWO Instructieboek kielboot I, II & III (te downloaden via www.pauluszeeverkenners.nl Maar u zou ook de instructiefilmpjes kunnen bekijken op de site www.pauluszeeverkenners.nl kunt u onder het hoofdmenu à cwo à instructiefilmpjes bekijken. Deze zijn informatief en zeer goed te begrijpen.
Wilt u voor het slapen gaan, iets lezen over een bepaald onderwerp, dan raad ik u aan “het zeilboek” te lezen. Deze is geschreven door J. Peter Hoefnagels; ISBN 90-240-0667-8. Kosten € 19,50 bij bol.com. Dit boek is een aanrader. U kunt ook genoegen nemen met dit geschrevene, maar in het genoemde boek staan er afbeeldingen bij. Deze zijn heel verduidelijkend en goed.
Hoofdstuk 2. zeiltermen Bakboord- van achter uit gezien de linkerkant van de boot Stuurboord – van achter uit gezien de rechterkant van de boot Loefzijde- die zijde van de boot waar de wind vandaan komt ( waar de wind de boot binnenkomt) Leizijde – die zijde waar de wind naar toe gaat ( waar de wind de boot verlaat) Een kenner heeft het ook wel eens over de hoge en de lage kant van het zeilschip. De hoge kant ligt aan die zijde waar de wind vandaan komt, de lage kant aan die zijde waar de wind naartoe gaat. Het is altijd de bedoeling bij het zeilen dat de zeilboot iets overhelt in de richting van de wind. Zo heb je ook een hogerwal en een lagerwal. De hogerwal is de wal waar de wind vandaan komt, de lagerwal is de wal waar de wind naar toe gaat. Bij overstag gaan (kop of punt door de wind,wind komt van voren) commando: ‘Klaar om te wenden …ree Fok bak,”fok over “ of fok “door”’. Een ervaren fokkenist heeft deze commando’s niet nodig. Die weet wanneer hij de fok bak moet trekken en wanneer hij/zij hem over/door moet doen. Bij het gijpen (kont of spiegel gaat door de wind, wind komt van achteren) commando: ‘Klaar om te gijpen ….gijp’ ‘Fok te Loevert’, bij een voor de windse koers wil men de fok te loevert zetten om zo extra wind en dus snelheid te pakken, ook is dit een manier om te checken of men werkelijk voor de wind vaart.( Men trekt de fok dan naar de andere kant als waar het grootzeil naar toe staat.) ‘Fok los’ is een commando om snelheid te minderenà belangrijk bij aanleggen of bij manoverboord. Wanneer dit gezegd wordt moet men de fok zo ver los laten dat hij eigenlijk geen wind meer vangt (dus niet gewoon de fokkeschoot los laten). Dit is beter voor het zeil dat dan minder klappert. ‘Grootzeil los’ wordt gezegd als defintieve snelheidvermindering, de boot zal op een minder tempo doorvaren, Eventueel kan men nog met het roer remmen. Tip: als er een puts aan boord is (een emmer met een lijn eraan die tevens aan de boot vast zit),kan men deze ook overboord zetten om zodoende genoeg vaartvermindering te krijgen. Hoofdstuk 3. windstanden Voor de wind à wind komt recht van achteren Ruime wind à wind komt schuin van achteren Halve wind à wind komt haaks de boot binnen Aan de wind à wind komt schuin van voren In de wind à wind komt recht van voren Als er hier over wind wordt gesproken is het de schijnbare wind die bedoeld wordt. Deze wordt aangegeven door het vaantje. Op de schijnbare wind wordt het zeil gezet. Hoe wordt het zeil gezet? Een mooie methode is het grootzeil loslaten tot het begint tegen te bollen en dan iets aan te trekken. Er is ook nog een andere zeilstand mogelijk: binnen de wind. Dit betekent dat de wind schuin van achter komt en men het grootzeil over de verkeerde kant uit staat. Dit is gevaarlijk. Een klapgijp ligt in het verschiet. Een klapgijp vindt plaats wanneer de giek bij voor de wind ineens van kant veranderd. Men heeft dan de controle niet meer in de hand. Het gebeurt vaak bij draaiwinden. Als dit gebeurt, en iemand krijgt een klap van de giek tegen zijn hoofd, kan hij of zij overboord slaan en verdrinken. Hoofdstuk 4. koers bepalen De koers is de richting waarin men vaart. Deze wordt op een bepaalde manier bepaald à Over de kikker aan de leikant kijken,punt bepalen en dat punt op die plaats houden. Zo houd je rekening met het verleieren van de boot. Elke boot verleiert: Je zet een koers uit over de punt, daar wil je naar toe. De wind die je gebruikt om vooruit te komen duwt je echter ook een klein beetje naar de zijkant, de kant waar de wind de boot verlaat. Door nu de kikker op het voordek aan de leikant als richtpunt te nemen, voorkom je de teleurstelling dat je je doel niet bereikt. Eerst bepaal je de correcte stand van de zeilen, vervolgens kies je een punt over de kikker aan de leizijde (de lage kant) Hoofdstuk 5. voorrangsregels De belangrijkste regel is….. GOED ZEEMANSSCHAP: als het niet kan zoals het moet, moet het zoals het kan, Met andere woorden, als jij voorrang hebt zul jij moeten uitwijken als je daarmee bijvoorbeeld een aanvaring voorkomt. Zeil over bakboord heeft voorrang op zeil over stuurboord, dit is een afspraak!! Stuurboordwal heeft voorrang in bijna alle gevallen. De schipper kan niet uitwijken want hij vaart aan een wal. Stuurboord staat voor landrotten voor rechts. Toevallig rijden we in Nederland ook rechts. Ook dit is gewoon een afspraak. Loef wijkt voor lei. Als je de wind uit de zeilen neemt van iemand anders dan kan hij minder manoeuvreren, hij kan zijn koers minder snel veranderen. Daarom heeft hij voorrang. Heel logisch toch?? Hoofdstuk 6. manoeuvres Man over boord. Deze manoeuvre hoort er als gegoten in te zitten. In het begin zal hij tot in den treure herhaald moeten worden. Bij windkracht 3 of 4 heeft hij zijn volle effect. Je vaart een bepaalde koers. Iemand valt over boord, je roept “zwem” en je VALT AF tot voor de wind. Ondertussen heb je iemand de opdracht gegeven te wijzen. Hij of zij wijst naar het slachtoffer. Bij hoge golfslag wil je iemand gauw uit het oog verliezen of je weet gewoon niet meer waar je zit. Dan vaar je zo’n drie tot vier bootlengtes door (bij windkracht 3 of 4). Vervolgens LOEF je OP tot aan de wind. Je gaat dus NIET gijpen. Je vaart door tot je het slachtoffer achterlijker dan dwars hebt (dwars is haaks op het midden van de boot). Achterlijk betekent dat hij zichmeer naar achteren bevindt. Heb je hem genoeg achterlijker dan dwars, dan ga je overstag en vaart op het slachtoffer af. Voor je hem bereikt laat je de zeilen los ( de boot remt af), eventueel draai je een beetje de kop in de wind en je haalt het slachtoffer binnen aan de loef(=hoge)zijde ACHTER de stag. Waarom haal je hem binnen over de hoge kant? Omdat de wind je anders over het slachtoffer heen duwt. Je haalt hem achter de stag naar binnen, want je hebt snelheid, het slachtoffer ligt stil, dus als je doorvaart zit de stag al gauw in de weg. Aanleggen aan hoger wal Meestal gebeurt dit met een opschieter. Je vaart dan op de wal af op een aan-de-windse koers. Je laat tijdig je zeilen los, en je draait de boot zodat hij zachtjes aankomt op de wal. Heb je teveel snelheid, maak dan gebruik van de puts indien die aanwezig is. Vroeger werd er wel gesproken over een aanleg met eitjes: de aanleg moest zo zacht zijn dat en eitje tussen de wal en het schip niet mocht breken. Aanleggen aan lager wal Dat betekent meestal, kop in de wind, zeilen strijken en achteruit laten deinsen van het schip. In plaats van deinsen kun je ook roeiend of wrikkend je naar de kant begeven. Let op: aankomen doe je nog steeds met eitjes. Aanleggen aan langswal Bij deze windrichting (evenwijdig aan de wal) kun je van beide eerder genoemde technieken gebruik maken. De puts zal wel nodig zijn als je kiest voor de techniek gebruikt bij aanleggen aan hogerwal. Hoofdstuk 7. tips Als een schip te snel vaart à afremmen Door bijvoorbeeld een puts achter de boot te hangen. Bij het roeien zou je dat doen door met de riemen te strijken. Door de zeilen los te laten,hierdoor verliest de boot zijn voorwaartse kracht. Remming krijgt hij dan door de wrijving met het water Door in de wind te gaan liggen. Als je daarbij je roer plat gooit, krijgt de boot alle remming die je maar kunt hebben. Als een zeilboot zich klemvaart op de bodem van het vaarwater. Hoe krijg je hem dan los? Laat eerst je zeilen zakken (om de voorwaartse kracht te verwijderen), als je een zwaard hebt ( wat bij een vlet altijd het geval is) haal deze op (zwaard op), haal eventueel het roer eruit (dit kan bij een vlet) en duw vervolgens de boot recht naar achteren. Met een kielboot kun je geen zwaard ophalen en meestal kun je het roer er ook niet uithalen. Dan zul je de zeilen moeten laten zakken en recht achter uitsteken. Het roer moet je als het kan helemaal recht hebben, in de oorspronkelijke vaarrichting die je had voordat je vastliep. Een vraag aan u, met welke zeilstanden kun je sturen met de zeilen en waarom? Als u een antwoord hebt op deze vraag, dan snapt u de logica van het zeilen. Auteur: Kees Berkhout |
| Laatste aanpassing op dinsdag 25 augustus 2009 10:29 |
